Ga naar zoekveld

De Heer is God en niemand meer

De Heer is God en niemand meer: verheerlijkt Hem, gij vromen! Wie is als aller scheps’len Heer zo heerlijk, zo volkomen? De Heer is groot, zijn naam is groot, de luister zijner deugden groot, oneindig groot zijn wezen. Zijn troon omringt een glansrijk licht, te schitt’rend voor onz’ ogen. Zelfs eng’len dekken ‘t aangezicht, aanbidden neergebogen. Der heem’len boog omvat Hem niet, Hij is onzichtbaar, ‘t schepsel ziet Hem enkel in zijn werken.