Ga naar zoekveld

Wees mij genadig Heer

a. Wees mij genadig, Heer, bescherm mij door Uw hand. Zie hoe benauwd ik ben, omringd aan alle kant, alle kant. Velen zijn tegen mij en zinnen op mijn dood, mijn dood. Heer, breek hun overmacht en red mij uit de nood. Gij weet, o God en Heer, hoe 'k zwerven moet op aard'. Maar al mijn tranen zijn door U bijeen vergaard, vergaard. Één ding staat vast voor mij dat God mij niet begeeft, begeeft. Wat mij wordt aangedaan: Gij zijt de God die leeft. Ik roem in God, die mij beveiligt voor de dood, voor de dood. Hij is mijn vaste burcht, mijn schild in alle nood, alle nood. naar zijn bevelen zal ik leven voor Gods oog, Gods oog. Zo wordt Zijn lof vergroot waar ik Zijn naam verhoog. b. Ik prijs U, Heer en hef een danklied aan, omdat U voor uw woorden in blijft staan. Wat u beloofde heeft U ook gedaan; daarom zal ik U eren. Met U kan ik zelfs doodgevaar trotseren. Ik stoot, als stenen mij de weg blokkeren, mijn voeten niet; wat kan mij nu nog deren? U maakt voor mij ruim baan.