Ga naar zoekveld

De mus

zaterdag 7 januari 2017

Matteus 10:29

Ook de dieren kregen een naam

Genesis 2:18-21

‘Hij roept ze alle bij hun naam.’ (Psalm 147:4)

Dieren laten sporen achter. Mensen ook. En de voetafdruk van de mens op aarde wordt steeds groter. Vooral de westerse mens leeft op grote voet. Zijn consumptiepatroon vraagt veel, heel veel ruimte. Dieren zijn er gelukkig nog altijd. Maar veel soorten dreigen te verdwijnen… door de mens!

Hoe anders was het in het begin. God schiep de mens na de dieren. De dieren vluchtten niet weg, maar kwamen naar de mens toe. Sterker nog, God zelf bracht de dieren naar de mens. En Adam mocht het gedrag van de dieren bestuderen. Hij deelde de dieren in groepen en soorten in. En gaf vervolgens de dieren een eigen naam. Namen die alles te maken hadden met hun aard. Het geven van namen aan alle dieren was de eerste concrete taak die de mens van God kreeg. Als een mens een naam krijgt, houdt dat in dat hij er mag zijn. Een naam onderscheidt je van anderen. Een naam maakt een mens uniek. De naamgeving van de dieren laat dat ook zien. Als we vanaf het begin van de schepping niet in het algemeen van dieren spreken, maar van allerlei soorten met een eigen naam, is dat heel bijzonder. Het maakt elke soort uniek. Ze mogen een eigen leven leiden en hebben een eigen waarde.

Door het werk van Adam spreken we niet alleen in het algemeen van dieren. Maar we hebben het over vissen en vogels, over landdieren, zeedieren, zoogdieren, enz. Het gaat nog verder. We spreken ook van de leeuw en de panter, van haring en kabeljauw, van mussen en merels, van schapen en koeien. Elk soort mag er zijn. Mag voor God bestaan. Is voor God uniek.

Adam gaf elke soort een naam. En deed dat in opdracht van God. Dus eigenlijk gaf God Zelf de dieren een naam. Net zoals Hij de mens een naam gaf.

Toen God Adam miste, riep Hij hem bij zijn naam. Zal God zwijgen, als Hij dieren mist?

Deel deze overdenking: