Handelingen 8:26-35
26-27Een engel van de Heer zei tegen Filippus: ‘Je moet op reis gaan. Ga naar de weg die van Jeruzalem naar de stad Gaza loopt. Zorg dat je daar midden op de dag bent.’
Filippus deed wat de engel zei. De weg was verlaten. Maar opeens kwam er iemand aan. Het was een man uit Ethiopië, een belangrijke ambtenaar van de koningin van dat land. Hij was het hoofd van de koninklijke schatkamers. De man was in Jeruzalem geweest om de God van Israël te eren. 28En nu was hij op de terugweg. Hij zat in zijn reiswagen te lezen in het boek van de profeet Jesaja.
29De heilige Geest zei tegen Filippus: ‘Ga naar de man in die wagen toe.’ 30Filippus liep er snel heen. Hij hoorde de man hardop lezen en vroeg: ‘Begrijpt u wat u leest?’ 31De man antwoordde: ‘Nee, want niemand legt het mij uit.’ Toen vroeg hij Filippus om in de wagen te stappen en naast hem te komen zitten.







