1-2Saulus was nog steeds een gevaar voor de volgelingen van de Heer Jezus. Hij wilde naar de stad Damascus om ook daar naar gelovigen te zoeken. Maar eerst ging hij naar de hogepriester. Hij vroeg of die hem brieven wilde meegeven voor de synagogen in Damascus. Want hij wilde toestemming hebben om alle gelovigen gevangen te nemen en hen naar Jeruzalem te brengen.
3Saulus vertrok naar Damascus. Toen hij daar bijna was, straalde er plotseling een licht uit de hemel om hem heen. 4Saulus viel op de grond en hoorde een stem zeggen: ‘Saulus, Saulus, waarom vervolg je mij?’ 5Saulus vroeg: ‘Heer, wie bent u?’ De stem zei: ‘Ik ben Jezus. Ik ben degene die jij vervolgt. 6Sta op en ga de stad in. Daar zal iemand je vertellen wat je moet doen.’
7De mannen die met Saulus meereisden, hoorden wel een stem, maar ze zagen niemand. Ze waren zo verbaasd, dat ze niets wisten te zeggen.
8Saulus stond op van de grond. Zijn ogen waren open, maar toch kon hij niets zien. De mannen die bij hem waren, pakten zijn hand en brachten hem naar Damascus.
9Drie dagen lang kon Saulus niets zien. En al die tijd at en dronk hij niet.
Lied: Veilig in Jezus' armen
Nog niet klaar met overdenken? Luister dan ook eens naar onze podcast.
Morgen staat er weer een nieuwe video voor je klaar!

In onze gesprekskanalen bespreken we wat ons geraakt heeft tijdens de overdenking.
Door vriend van Nederland Zingt te worden zorg jij ervoor dat we mooie overdenkingen kunnen blijven maken.















15 /3481